Zutphen

In Zutphen kwam Johan of Jan van Velen (Z 1) wonen omstreeks 1700. Hij was geboren in Oeken, een buurtschap onder Brummen, tussen Hall en Zutphen. Hij werd burger van Zutphen en ingeschreven in het burgerboek op 22 november 1721:  “Jan van Velen geboortigh uit Oeken en van de waere gereformeerde religie, met sijn soon Jan Velen, met het reght deser stadts kleine Burgerschap begunstigt zijnde, heeft den Burgereed gepraesteert en is tegens betaeling van de volle jura tot Burger aengenomen”.

Deze Johan of Jan van Velen was de zoon van een Hendrik van Velen. Hij komt namelijk onder de naam Johan Henrixen voor in het protocol van bezwaar voor het ambt Brummen 1675 – 1733 (fol 149v). Op 2 oktober 1708 werd een akte geregistreerd waarin vermeld werd, hoe op 12 mei 1705 een “welgelegen huis en hoffstede genaemt de Leemcuile” gelegen onder Oeken en bewoond door Borchard Roelefsen en Jantje van Eijkel, echtelieden, grenzend aan de goederen van de heer Sloet en aan de gemene (= gemeenschappelijke) brink, door Steven van Eijkel en Jenneken Hendrixen, echtelieden, voor driehonderd gulden verkocht werd aan Johan Henrixen en Aeltje Joosten.

Het archief van de ambtsjonkers van Brummen geeft nadere bijzonderheden. Inventarisnr. 12 geeft een boek aan, dat aangelegd is door Ernst van Dompselaar, die vanaf 1718 ontvanger van Brummen was. Hij noteerde daarin de posten van de verponding (de grondbelasting). Op fol. 19v, onder Oeken, staat: “Stephen van Eijckel modo (= nu) Jan Henrix Vhelen, de halve Leemkuijl !-13-6″.
En in de maancedulen van 1735-1741 staat vermeld (arch. ambtsjonkers Brummen nr. 12 fol. 69v): “Hendrik Jan van Velen tot Zutphen” van de halve Leemkuijl (betaald over 1735 tot 1742) 1-18-9 per jaar.
Jan Henrix van Velen heeft dus vanwege het bezit van de (halve) Leemkuijl een belasting op onroerend goed moeten betalen van 1 gulden 13 stuivers en 6 penningen per jaar.
Zijn zoon Hendrik Jan van Velen betaalde iets meer: 1 gulden, 18 stuivers en 9 penningen per jaar.

De achternaam van de vrouw van Jan Henrix van Velen komt aan het licht in een akte van 28 april 1749 (arch. Zutphen nr.376 fol.181v en 182). Dan kopen Jan Veelen en Aeltien de Waeter, zijn huisvrouw, een “huys en where” (= erf) te Zutphen in de Barlhese, een straat in het westelijk gedeelte van de stad. De verkopers waren Willem Sleijster en Johanna Teunissen. Het huis was “vrij en quijt sonder eenigh  beswaer als Heeren penningen en een uijtganck van twee gulden drie stuivers twaelff penningen an St. Walburgs kercke alhier”. De eigenaar van het huis had dus jaarlijks de belasting van de overheid te betalen  en ƒ 2-3-12 aan de penningmeester van de St. Walburgskerk, de Grote Kerk te Zutphen.
Op dezelfde dag loste Jan (van) Veelen een hypotheek af, groot ƒ 300,- à 5%. Hij had die hypotheek kennelijk overgenomen van de verkopers, de al genoemde Willem Sleijster en zijn huisvrouw Johanna Teunissen, die het bedrag van ƒ 300,- op 16 september 1705 geleend hadden van Bartholt Lulofs en zijn huisvrouw Haedewich Busch (arch. Zutphen nr. 374 fol. 15).
Jan Hendriks en Aaltje Joosten lieten in Zutphen dopen:
GOSINA, gedoopt op 22 november 1705,
GEESKEN, gedoopt op 7 maart 1710.
De doop van een zoon (Hendrik) Jan heb ik nooit gevonden.

De laatste keer dat Johan van Velen voorkomt in het archief van de stad Zutphen is op 8 november 1726 (nr. 360 fol. 133v en 134) Hij stelt zich borg voor één van de partijen in het proces Albert Ploegman contra Johan Mentinck, aanhangig gemaakt voor het gericht van Zutphen. Ik vermoed, dat hij niet al te lange tijd daarna overleden is. Zijn vrouw Aeltje van de Waeter is op 18 maart 1752 te Zutphen begraven.

Hun zoon Hendrik Jan van Velen noemde zich vrijwel altijd Jan van Velen. Eén keer, bij de doop van zijn oudste dochter, werd hij Hendrik genoemd. Ik zal hem ook Jan van Velen noemen.

Jan van Velen ( Z 11 ), zoon van Johan van Velen en Aeltje Joosten van de Waeter, trouwde in de Grote Kerk te Zutphen op 22 december 1729 met Janna Stakebrand. Zij werd gedoopt te Zutphen op 19 februari 1710 en was de oudste dochter uit het tweede huwelijk van Gerrit Stakebrand. Haar moeder heette Anneke  Janssen. Haar vader Gerrit Stakebrand was afkomstig van Warnsveld en waarschijnlijk een zoon van Jacob Dercksen, afkomstig uit Diepenveen en wonend op de boerderij Staeckebrand of Stokebrand te Warnsveld bij Zutphen.

Jan van Velen en Janna Stakebrand lieten te Zutphen drie kinderen dopen:

JANNA WILHELMINA gedoopt 10 augustus 1731. zij liet op 16 juni 1751te Zutphen

                        een dochter Johanna dopen en trouwde op 24 december 1752 te Zutphen

                        met Willem Jansen. Ze is 78 jaar oud geworden en werd op 11 mei

                        1810 te Zutphen begraven.

GARDINA      gedoopt 15 juli 1733. Ze  is jong overleden, voor 1743.

STEVEN         gedoopt 9 december 1734. ( Z111 )

Op 16 augustus 1730 werd Jan van Velen tot  grootburger van Zutphen aangenomen. Het grootburgerschap gaf  extra voorrechten boven het kleinburgerschap, o.a. de mogelijkheid om in de bestuursfuncties van de stad gekozen  te worden. Het kostte een niet onaanzienlijk bedrag.

Op 5 maart 1732 kochten Jan van Velen en Johanna Stakebrand de helft van een hof in het schependom over de IJssel (gelegen op een stukje Zutphens grondgebied ten westen van de IJssel). Het was “den eersten hof voor aen in de Hoven ter rechter hand van de straet en de gemeener weg tegens over die van de Heer Burgemeester van Hasselt gelegen, zijnde vrij en quijt, met geenerhande lasten bezwaert als ’s Heeren verpondinge, voorts dat de eigenaren van de andere halfscheid (=helft), zo met een besienhegge is gesepareert, een doorgang door dezelve hebben”. (arch. Zutphen nr 378 fol. 197v en 198).

Op 3 november 1735 werden Jan van Velen en Richard Teerink tot borgen gesteld door Dr.T.G. Plegher, gevolmachtigde van Juffer Catharina te Winkel, in het proces tussen de laatste en de Heer Colonel L.H.W. van Keppel, weduwnaar van Agatha van der Capellen (arch. Zutphen nr. 361 fol. 76 en 77).

We komen Jan van Velen verder tegen in het archief van Zutphen op 9 oktober 1736. Hij kocht toen van Hendrina Bennink, weduwe van Berent Nibbelink een “behuizinge en wehre”gelegen te Zutphen in de Barlhese, in dezelfde straat dus als het huis dat de vader van Jan van Velen in 1719 kocht (arch. Zutphen nr.379 fol. 98v en 99).

Op 1 december 1738 stelde Jan van Velen, burger van de stad Zutphen, borgen in een proces, dat Wolter Braskamp “zig noemende Pachter van de Waege van het Scholtampt Voorst” bij het provinciaal gerechtshof te Arnhem tegen hem aanhangig gemaakt had. Die borgen waren Harmen Brink en Richard Teerink (arch. Zutphen nr 361 fol. 128v).

En op 6 december 1738 stelden Jan van Velen en zijn vrouw Johanna Stakebrand “al nog tot meerder securiteit van gemelden Braskamp en praeventie van alle critiques voor de kosten van die procedure”als onderpand de helft van hun behuizing in de Barlhese te Zutphen en hun hof buiten de Marspoort in het schependom van Zutphen (arch. Zutphen nr 379 fol. 182 en 182v).

De stukken van dit proces zijn te vinden in het rijksarchief in Arnhem (arch.Hof van Gelre en Zutphen inv. nr. 406 Financiële Zaken). Daaruit blijkt, dat Jan van Velen op 18 of 19 juli 1738 216 mud eek of schors heeft vervoerd van het huis van de weduwe van Jan Ankersmit te Voorst naar Zutphen zonder die 216 mud in Voorst aan te geven of te laten wegen. Wolter Braskamp deed aangifte bij de schout van Voorst en vroeg hem beslag te leggen op alle “gerede goederen actien en crediten” te Voorst toekomende Jan van Velen te Zutphen, en speciaal op het hout dat op de houtwal bij (de boerderij) Nijenbeek lag. Deze beslaglegging is op 28 juli uitgevoerd door de onderschout Jan Lubberts en werd herhaald in een iets gewijzigde vorm op 9 augustus door Cornelis van Haestenburg, schout van Voorst, persoonlijk en “voor hoofs” voorgelezen aan Tonis Derks Holtteller, bewoner van de Nijenbeek, met het verbod het hout te vervoeren of te laten vervoeren.

Op 22 september diende Wolter Braskamp zijn aanklacht in bij het provinciaal hof te Arnhem. Het hof liet de aanklacht op 19 november 1738 eerst naar Jan van Velen te Zutphen sturen om zijn antwoord daarop te vernemen. Het verweer van Jan van Velen is gedateerd 18 decmber 1738.

Het geschilpunt is een principiële kwestie. Er bestond een ordonnantie op de waag, waarin opgesomd werden alle goederen die men (tegen betaling) moest laten wegen in de plaats waar ze geproduceerd werden. En de eek of schors werd daarin niet genoemd (volgens Jan van Velen). Bovendien maakte hi j bezwaar tegen het beslag op zijn hout, waarbij hij zich beriep op een privilege dat in het jaar 1432 door Hertog Arnold van Gelre aan de burgers van Zutphen verleend was. Vanwege het principiële karakter van deze zaak stelden de ambtsjonkers van Voorst zich achter Wolter Braskamp en de magistraat van Zutphen achter Jan van Velen.

(De schors bevat vocht. Het is dus voordelig om de schors te laten drogen en pas na enige tijd te laten wegen).

Op 12 maart 1740 werden Wander Wolters en Jan van Velen tot borgen gesteld door Harmen Baltus in een geschil met Jan Bessem, de pachter van “ ’s Lands impost op de Bieren van deze stadt” (=Zutphen). Het geschil liep over de in beslag name van een half vat bier, dat Harmen Baltus “gisterenavond van Deventer komende heeft mede gebracht voor de Ritmeester Heucqueville (arch.Zutphen nr.361 fol. 156).

Ook in de rekeningen van de onderrentmeesters en overrentmeester van Zutphen komt Jan van Velen voor. Hij pacht over het algemeen stukken grond. Verder werden twee bedragen aan hem betaald voor geleverd hout: 131 gulden 14 stuivers en 16 gulden 14 stuivers.

Alle rekeningen van de (over)rentmeesters zijn niet meer voorhanden. Jan van Velen komt niet voor in de rekeningen over de jaren 1714 en 1728.

Op 22 mei 1742 tekende Jan van Velen (en zegelde met zijn cachet !) in de hoedanigheid van geërfde van Veluwezoom, een akte van transport van onroerend goed: de verkoop door Harmen Willem Roeling, burgemeeser vam Kampen, en zijn vrouw Anna Maria Eekhout aan Aaltje Willems, weduwe van Steven Henrixs, van een stuk bouwland,  de Brammert genaamd, gelegen onder de buurtschap Voorstonden in het ambt Brummen (R.A.Veluwe nr. 987 fol. 25).

Jan van Velen is voor 5 oktober 1742 overleden (en na 22 mei 1742). Ook Janna Stakebrand is voor 5 oktober 1742 overleden. Op die datum werden Jan Harmen Stakebrand (een broer van Janna) en Jochem Hasselo door de heren van de weeskamer van Zutphen benoemd en bevestigd tot voogden over de onmondige kinderen van wijlen Jan van Velen en wijlen zijn huisvrouw Janna Stakebrand, namelijk Johanna Wilhelmina, 11 jaar oud, en Steven, 8 jaar oud (arch. Zutphen Weeskamerarch. XIII fol. 114 etc.).

In het weeskamerarchief wordt verslag gedaan van het beheer door de voogden van de financiële nalatenschap van Jan vanVelen en Janna Stakebrand. Dit verslag handelt voornamelijk over de pachten die Jan van Velen alleen of in compagnonschap met anderen gekocht had.

31 mei 1743    De voogden betalen samen met Richard Teerink, ieder voor de helft, de pacht over het sterfslag voer van 1740 en 1741. Ze zullen Jan Mussenberg, die zijn derde deel niet wil betalen, daarover aanspreken.

19 juli 7143     De voogden zullen de weduwe van Harmen Bruijnink aanspreken om restitutie te krijgen van 81 gulden wegens een jaar pacht van de 4e cloot (=gedeelte) van het 3e slag van de Overmars.

9 februari 1748 De voogden hebben een overeenkomst gesloten met Richard Teerink (kennelijk de compagnon van Jan van Velen). Zij hebben van Teerink een rekening gepresenteerd gekregen van 546 gulden, 2 stuivers en 7 penningen. Daartegenover konden zij wel ”eenige papirtjes” stellen met vorderingen op Richard Teerink, maar die kwamen niet tot het genoemde bedrag. Ze kwamen tot overeenstemming: tegen betaling van 60 gulden zouden alle vorderingen te niet zijn, uitgezonderd de pacht van de generale middelen van het scholtambt Lochem over de jaren 1737 tot 1739.

8 maart 1748   De voogden leveren een “staat en inventaris van de gerede en ongerede goederen” van Jan van Velen en zijn vrouw in met enige voordelige en enige nadelige schulden. Tegelijk dienen zij een rekening in van hun beheer: de inkomsten zijn geweest 3780 gulden 2 stuiver 5 penningen; de uitgaven 3644 gulden 10 stuiver en een kwart penning. een voordelig saldo dus van 135 gulden 12 stuiver  en 4 ¼  penning.

1 november 1748 De voogden zullen Sweer Ploegman te Warnsveld, als gevolmachtigde van Adolph Crijvenger, aanspreken, aan wie zij de pacht van een weide, de 3e cloot van de ingeloste coppel overgelaten hebben. Eveneens zullen zij Wolter van Goor aanspreken vanwege de pacht van een half stuk bouwland, de Spittaalder camp geheten, en vanwege de pacht van een weide, de 11e cloot van het Marsslag.

3 maart 1752   Jochem Hasselo dient de afrekening in over de periode 8 maart 1748 tot 18 januari 1752 (zijn medevoogd Jan Harmen Stakebrand is overleden). De inkomsten waren 520 gulden 6 stuiver; de uitgaven 684 gulden 6 stuiver 5 penningen. Het nadelig saldo 163 gulden 18 stuiver.

17 maart 1752 Nicolaas Meijerink wordt in plaats van wijlen Jan Harmen Stakebrand aaangesteld als voogd. De voogden krijgen toestemming om de inboedel van de grootmoeder van de pupillen te verkopen. (Deze grootmoeder was dus Aeltje van de Waeter die op 18 maart 1752 te Zutphen begraven werd).

24 maart 1752 De voogden leveren een staat in van de inboedel van de grootmoeder en krijgen toestemming om de inboedel door de vendumeester in het openbaar te laten verkopen.

7 april 1752     De inboedel is verkocht. De opbrengst was 186 gulden 13 stuiver.

8 juni 1753      De voogden dienen de rekening van ontvangst en uitgave in over de periode 3 maart 1752 tot 5 maart 1753. De ontvangst bedroeg 543 gulden 6 stuiver 6 penningen; de utgave 543 gulden 17 stuiver 5 penningen. Het nadelig saldo was 10 stuiver 15 penningen, waarmee ook het nadelig slot van de vorige rekening, afgesloten op 3 maart 1752, verrekend is

27 juli 1753     De voogden dienen een staat en erfmagescheid in (een boedelscheiding) tussen de kinderen van Jan van Velen en Janna Stakebrand, van wie de dochter reeds getrouwd is. Wilhelmina van Veelen verschijnt met haar echtgenoot Willem Jansen in de vergadering en bedankt haar voogden voor de goede administratie en het verslag daarvan.

13 februari 1756 Steven van Veelen verschijnt in de vergadering en bedankt zijn voogden eveneens voor de goede administratie en het verslag. De voogden dienen een afrekening in van de administratie. De ontvangst was 209 gulden 2 stuiver 4 penningen; de uitgave 208 gulden 8 penningen. Het voordelig saldo was 14 stuiver 14 penningen.

Het blijkt, dat de ontvangsten en uitgaven bij het beheer van de nalatenschap ongeveer gelijk waren. Jan van Velen heeft kennelijk in zijn onderhoud voorzien als houthandelaar en belastingpachter, waarbij hij wellicht de zaken van zijn vader heeft overgenomen.

De achternaam “van Velen” werd in zijn tijd op vele manieren gespeld. Soms zelfs in hetzelfde stuk. Zo wordt hij in de stukken van het proces met Wolter Braskamp meestal Jan van Vhelen genoemd, maar ook Jan van Veelen, Jan van Vheelen en Jan Vheelen. Bij zijn huwelijk luidt zijn naam Jan van Vehlen. In de tweede helft van de 18e eeuw komt de schrijfwijze “van Veelen” steeds meer voor. De ambtenaren van de burgerlijke stand in Rotterdam en Pernis houden “van Veelen” als schrijfwijze aan, met een enkele verschrijving van “van Velen” en “van Veele”.

Steven van Veelen (Z111), zoon van Jan van Velen en Janna Stakebrand verloor zijn beide ouders, toen hij 7 jaar was. Wel woonden er nog familieleden in Zutphen, zoals zijn  grootmoeder Aeltje van de Waeter, ooms en tantes van moederszijde en wellicht familie van grootvader Johan van Velen. Hij werd opgevoed in Zutphen, maar op 30 april 1760 woonde hij in Rotterdam. Op 16 mei 1760 verscheen namelijk Harmannus Colkman voor het gericht te Zutphen met een volmacht d.d. 20 april 1760 voor “Heeren Schepenen der stad Rotterdam” aan hem verleend door Steven van Veelen. Harmannus Colkman verkocht als gevolgmachtigde aan Goossen Evers en zijn huisvrouw Catharina Belders een “behuizinge en where binnen deze stad (Zutphen) in de Barlheze staende…alwaer het Witte Kruys heeft uitgehangen”, onbezwaard behoudens de verponding en een jaarlijkse rente van twee gulden drie stuiver en twaalf pennningen te betalen aan St.Walburgs Kerk alhier (=  de Grote Kerk te Zutphen). Dat is dus het huis, dat door Johan van Velen en Aeltje van de Waeter op 28 april 1719 gekocht werd en dat bij de boedelscheiding van juli 1753 kenneljk aan Steven van Veelen is toegewezen. Uit de verkoop van dit huis blijkt, lijkt me, dat Steven van Veelen in 1760 niet van plan was om naar Zutphen terug te keren.

Hij was wellicht wat kort aangebonden. In het schepenboek van Rotterdam (nr.236 fol. 496) staat d.d. 13 juli 1765 vermeld, dat Steven van Veelen zich niet ontzien heeft en ook toegeeft, dat hij aan een zekere Christiaen Pekwijk enige slagen gegeven heeft. Hij krijgt daarvoor van de Heer Officier een straf van acht dagen op water en brood, af te kopen met een boete van f. 12.- .

Op 10 oktober 1770 werd Steven van Veelen, geboortig van Zutphen, poorter van Rotterdam en ingeschreven in het burgerboek (10e wijk, 1e  smaldeel).

Die inschrijving als poorter van Rotterdam zal wel samenhangen met zijn huwelijk. Hij trouwde op 14 oktober 1770 te Rotterdam met Meynsje Posthoorn, gedoopt op 27 februari 1739 te Gouda en dochter van David Posthoorn en Cornelia van Beusekom.

De volgende kinderen werden geboren en gedoopt te Rotterdam:

JOHANNA WILHELMINA,  gedoopt op 29 september 1771. Zij trouwde op 24  april

1796 in de Kloosterkerk te ’s-Gravenhage met Ocker van Delft. Ze hertrouwde op 5 mei 1805 te Rotterdam met Hendrik Muller, kleermaker te Rotterdam en overleed in de ouderdom van 84 jaar op 3 december 1855 te Rotterdam in een huis aan de Goudsche Wagenstraat. Ze was de langstoverlevende van de kinderen van Steven van  Veelen.

CORNELIA LOUISA.,  gedoopt 23 maart 1773. Zij is ongetrouwd gebleven en stierf 20

 juni 1851 te Rotterdan in een huis aan de Schiekade, 78 jaar oud.

CHRISTINA,  gedoopt 21 mei 1775. Zij trouwde wellicht te ’s-Gravenhage met Frederik

Lüwenhelm. Ze hertrouwde op 11 december 1811 te Rotterdam met

Hendrik Fuyks, winkelier te Rotterdam en overleed op 13 maart 1836 te

Rotterdam in een huis aan de Lommertstraat, 61 jaar oud.

JAN                gedoopt 10 april 1777. Zie verder onder Pernis.

een kind,          doodgeboren en begraven op 1 april 1779

een kind,          doodgeboren en begraven op 15 april 1780

DAVID           gedoopt 16 oktober 1781 en begraven 31 oktober 1781 te Rotterdam.

Meynsje Posthoorn is al spoedig na het overlijden van haar zoontje David ook zelf overleden. Ze werd begraven op 28 november 1781 te Rotterdam, 42 jaar oud.

Steven vanVeelen hertrouwde op 28 december 1783 te Rotterdam met Alida van der Pol, geboren te Loenen (wellicht op de Veluwe, waar nog verre familie van Steven van Veelen woonde). Zij lieten één kind dopen te Rotterdam:

MARIA HENDRIKA, gedoopt 26 december 1784 en overleden voor 8 augustus 1808.

Kort na zijn eerste huwelijk liet Steven van Veelen met zijn vrouw op 10 juli 1771 een testament opmaken te Rotterdam voor Notaris P.C. van Rijp. Zij verklaarden beneden de f. 2000.- gegoed te zijn en geen openbaar ambt te bekleden. Steven van Veelen had als beroep winkelier en hij woonde aan de Botersloot te Rotterdam. De langstlevende zou erfgenaam zijn met de verplichting hun kind of kinderen op te voeden. Ook werd in het testament opgenomen de uitsluiting van de weeskamer van de stad Rotterdam etc.

Wellicht ook vanwege de ervaringen met de weeskamer van Zutphen.

Op 6 juni 1776 kocht Steven van Veelen van Cornelis van Bingen een huis en erve, staande en gelegen aande westzijde van de Botersloot binnen Rotterdam. Het huis was belast met een hypotheek, groot geweest f. 4000.- en per reste nog inhoudende f. 3000.-.

Deze hypotheek werd overgenomen en daarnaast betaalde hij nog de som van f. 3000.- contant. Crediteur van de hypotheek was Laurens van Crimpen, de rente en aflossing  4% en f. 100.- per jaar.

Op 1 oktober 1784 lieten Steven van Veelen en zijn tweede echtgenote Alida van der Pol een testament maken door J.P. van Ede van der Pals, notaris te Rotterdam. Erfgenamen waren de vier voorkinderen van Steven van Veelen: Johanna Wilhelmina, Cornelia Louisa, Christina en Jan. Bovendien zijn tweede vrouw Alida van der Pol en de kinderen die eventueel nog geboren zouden worden. Christina van Veelen zal erven “de “Granate ketting in ’t goud gezet met de daer aen zijnde granate bood” van Alida van der Pol. Gedurende de minderjarigheid van Christina moet die ketting blijven berusten bij haar vader en mag zij hem alleen dragen met zijn toestemming. Tot voogden werden benoemd “Messieurs Dirk van Munster Mr. Timmerman en Jacob Hamer Mr. Broodbakker”.

Ook bij dit testament verklaarden de testateurs beneden f. 2000.-  gegoed te zijn.

Steven van Veelen  is overleden te Ouderkerk aan de IJssel. Zijn overlijden werd daar aangegeven 22 september 1801 (pro deo). Zijn dochter Johanna Wilhelmina is daar komen wonen vanuit Den Haag (att. 11 maart 1798). Zij is van Ouderkerk aan de IJssel verhuisd naar Rotterdam (att. 19 oktober 1812).

Op 9 april 1808 gaven Alida van der Pol, weduwe van Steven van Veelen, en de kinderen van Steven van Veelen uit zijn eerste huwelijk volmacht aan Jan van Enschot, klerk ter secretarie van Rotterdam, en Dirk van Munster om het huis aan de Botersloot, nagelaten door hun man en vader, te administreren, te verhuren, de huurpenningen te ontvangen etc. en om vervolgens het gemelde pand te verkopen etc.

Op 17 november 1808 werd het huis verkocht aan Adrianus van Baarle. Bij de verkoop was het huis nog steeds belast met de eerste hypotheek, groot geweest f. 4000,-  en per reste nog inhoudende f. 3000,-. De verkopers verklaarden voldaan te zijn met het overnemen van de hypotheek en nog wat kleinere belastingen. Per saldo was de koopsom die voor het huis bedongen werd, net genoeg om de schulden die er op rustten, te voldoen. (Schepenarchief Rotterdam nr. 597 bl. 877 – 879).

Steven van Veelen was winkelier in Rotterdam. Zijn zaak was een kruidenierswinkel.

Met zijn zaken is het kennelijk slecht gegaan. Misschien ook door het Continentale Stelsel van Napoleon. Dat stoppen van de overzeese handel  en de aanvoer van kruiden uit Oost-Indië zijn mogelijk de reden dat zijn zoon Jan van Veelen zich is gaan bezighouden met vissen (en met smokkelen vanuit Engeland).

In Zutphen woonde in de 18e eeuw ook Albert van Velen ( Z 2 ). Omstreeks Pasen 1717 kwam Albert Hendriks binnen bij de Geref. Kerk van Zutphen met attestatie van Brummen. Hij is wellicht dezelfde Albert Hendriks die op 22 december 1713 belijdenis deed in Brummen. Hij heet dan “Aalbert Hendriks, soon van Hendrik Derks uyt Oeken”. Hij heet “Albert van Velen, geboortig van Brummen”, als hij op 2 november 1721 in de Grote Kerk te Zutphen trouwt met Grietje Benninks, eveneens afkomstig uit Brummen. De voornaam van Grietje Benninks luidt ook wel Margarita en haar achternaam Bentink. Haar vader was Berend Bennink. Grietje Bennings deed belijdenis te Zutphen in 1717.

Zij lieten zes kinderen dopen te Zutphen:

HENDRINA   gedoopt 6 september 1722

JOHANNA     gedoopt 23 januari 1724. Zij trouwde op 25 april 1749 te Amsterdam met

                        Hendrik Crayenbelt. Zij was weduwe van Hendrik Crayenbelt en woonde

op het Regenburgse plein, toen ze overleed. Ze werd begraven te

Amsterdam op 19 maart 1792

BERNARDUS  gedoopt 13 februari 1726

HENDRIK JAN  gedoopt 18 december 1727

FIJTJE             gedoopt 4  november 1729. Zij deed op Pasen 1749 belijdenis te Zutphen

en heet dan Feike van Vheelen. Ze vertrekt met attestatie van Zutphen

naar Den Haag op 26 april 1751 en komt terug uit Den Haag naar Zutphen

in december 1753. Ze heet dan Sophia van Veele. Zij is nooit getrouwd en

overleed 9 december 1815 te Zutphen, 86 jaar oud, nalatende niets. De

buren deden aangifte.

HENDRIK JAN  gedoopt 28 juni 1734. Z 21.

De kinderen Hendrina, Bernardus en Hendrik Jan (1727) zijn zeer waarschijnlijk al jong overleden.

Albert van Velen had, al voordat hij trouwde, op 30 mei 1721 een huis gekocht in Zutphen in de Houkerstraat of Heuckerstraat. Verkopers waren Teunis Trittelaar en zijn huisvrouw Aeltje Hendriks. Het huis was bezwaard met een hypotheek van 250 gulden te betalen aan de heer Lammers en verder de verponding. Op 26 mei 1734 sloten Albert van Velen en Grietje Berents een nieuwe hypotheek. De hypotheeknemers waren Albert Harmsen en zijn vrouw. Het bedrag was 200 gulden á 4% . Albert Harmsen en zijn vrouw leenden nog eens een bedrag van 100 gulden ä 4% op 1 november 1737. Op 24 september 1740 sloten Albert van Velen en Grietje Benninks nog een hypotheek. Reintje Jansen, weduwe van Sander Gerritsen, leende aan hen 100 gulden á 4%. Onderpand is steeds hun huis in de Hoykerstraat (arch.Zutphen nr. 377 fol. 44v; nr. 379 fol 7v en fol. 242v en 141v).

Albert van Velen werd begraven te Zutphen op 18 april 1761. Grietje Bennink werd eveneens te Zutphen begraven, bijna 15 jaar later, op 10 april 1776.

Hun zoon Hendrik Jan van Veelen (Z21) (gedoopt in 1734) trouwde op 23 april 1762 te Amsterdam. Hij was toen 27 jaar oud en woonde in de Regulierbreestraat. Hij trouwde met Aaltje van Hall, dochter van Cornelis Willemse van Hall en Hermina Stevens.Aaltje van Hall werd geboren te Dieren in 1735 of 1736.

Ook zij lieten zes kinderen dopen:

HARREMIJNTJE  gedoopt 6 maart 1763 te Amsterdam.

JOHANNA     gedoopt 30 januari 1765 te Amsterdam

GRIETJE         gedoopt 29 januari 1768 te Amsterdam. Zij overleed op 29 juni 1843 te

                        Zutphen, ongetrouwd en 75 jaar oud.

HENDRICA JOHANNA  gedoopt 26 februari 1771 te Zutphen. Zij trouwde met Daniël

                        Jimmink, klompenmaker van beroep, en overleed op 43-jarige leeftijd te

                        Zutphen op 10 juli 1814.

HARMINA CORNELIA gedoopt 26 december 1772 te Zutphen.

HARMINA CORNELIA  gedoopt 21 juli 1776 te Zutphen. Zij trouwde op 27 september

                        1795 te Zutphen met Daniël Gijzen en hertrouwde 25 november 1804 te

                        Zutphen (Gerecht) met Bernardus du Bois. Ze overleed op 7 april 1815 te

                        Zutphen 39 jaar oud.

Van deze zes dochters zijn er drie jong overleden: Harremijntje, Johanna en Harmina Cornelia (1772). Hun vader woonde van 1762 tot 1768 in Amsterdam en keerde voor het jaar 1771 terug naar Zutphen

Op 2 april 1770 werd de hypotheek die Albert van Velen op 24 september 1740 gesloten had, afgelost. Op 25 september gebeurde hetzelfde met de hypotheken die op 26 mei 1734 en 1 november 1737 afgesloten waren  (arch. Zutphen nr. 379 fol. 242, 7v en 141v).

Hendrik Jan van Veelen stond er financiëel kennelijk beter voor dan zijn vader Albert van Velen.

Hendrik Jan van Veelen is begraven te Zutphen op 22 juni 1784, 50 jaar oud. Hij liet na een weduwe, Aaltje van Hall, en drie kinderen met name Grietje, 17 jaar oud, Hendrica Johanna, 16 jaar oud, en Harmina Cornelia,10 jaar oud. Tot voogden werden benoemd Peter Krombout en Willem Jacobus Erfort. Een staat en inventaris van de gemeenschappelijke boedel werd opgemaakt.. Het positieve saldo was 74 gulden, 3 stuiver, waarvan de helft werd bestemd voor de kinderen. Aaltje van Hall is op 23 juni 1787 te Zutphen hertrouwd met Jan Teunissen van Reusel, jongman onder Warnsveld.

In Zutphen woonde in de 17e eeuw ook het gezin van Jan Hendricksz. van Vehlen getrouwd met Lucia Kockx. Zij lieten van 1658 tot 1668 kinderen dopen te Zutphen.

Een zoon Jan getrouwd met Hilleke Berents liet in Zutphen kinderen dopen tussen 1677 en 1689. Deze gezinnen worden beschreven onder de familie Van Veelen te Eerbeek.